Jobland

Jobland

Menu

De belevenissen van Jobke en de Reus

Jobke en de Reus

Een hele tijd geleden woonde, in een huisje hier niet zo ver vandaan, Jobertus Willemandus Van Okkernoten. Eigenlijk noemde alleen zijn moeder hem zo, want ze hield erg van deftige namen. Maar de meeste mensen vonden zijn naam veel te lang en te moeilijk, en daarom noemden ze hem gewoon "Job". Job zelf vond dat ook een heel leuke naam, omdat je er zo goed mee kan rijmen. En rijmen was iets dat Job heel graag deed. Hij ging dan achter zijn tuintje tegen een boom zitten en bedacht rijmpjes op zijn naam, zoals:
"Job, kom maar op!", of "Job staat op zijn kop.",
of "Ik ben Job en ken een goeie ...".
Of hij bedacht rijmpjes over alle dieren die hij kende;
"Ze geeft lekkere melk en roept soms "BOE!", ra, ra,ra, het is een ..."
"Hij woont in een holletje in een hoekje van ons huis, ra, ra, ra, het is een ..."
"'t Heeft twee oren en een lange staart, ra, ra, ra, het is een ..."
Hij heeft er zo al wel honderd bedacht.

Iets wat Job ook heel leuk vond, was lange wandelingen maken. Maar Job was een heel nieuwsgierige jongen en daardoor beleefde hij soms spannende avonturen. Zo ontdekte hij op een keer een geheime gang in een berg. Eigenlijk kwam het door een konijntje dat hij de gang ontdekte. Job was een wandeling aan 't maken toen hij opeens een konijntje met een heleboel wortelen voorbij zag huppelen.

Job moest goed uitkijken waar hij stapte, want als hij op een takje zou trappen, zou dat breken. Het konijn zou dat zeker horen en hard wegrennen. En dan zou hij nooit te weten kunnen komen waar het konijn naartoe huppelde, want zo snel als een konijn kon Job niet lopen. Zo kwam het dat hij een eindje achterop was geraakt en het konijntje opeens achter een struik verdwenen was. Toen Job aan de struik kwam, was het konijn niet meer te zien. "Hoe kan dat nu?", vroeg Job zich af. "Waar is dat konijn gebleven?" Job zocht achter alle bomen, stenen en struiken. Toen hij bij een braamstruik een stapje achteruit deed... zakte hij opeens in een hol in de grond. "Zou het konijn hierin verdwenen zijn?", vroeg Job zich af. "Dit is toch veel te groot voor een konijnenhol!” 

Toen zag Job dat het hol het begin was van een lange gang. Natuurlijk kon Job zijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en begon de gang te volgen. Steeds verder volgde hij de gang, naar beneden, de berg in. Soms werd de gang opeens heel smal. En soms moest hij zich erg bukken, of zelfs op zijn knieën kruipen om zijn hoofd niet te stoten. Soms splitste de gang in twee zodat hij moest kiezen welke kant hij op zou gaan. Het gebeurde wel eens dat hij de verkeerde richting koos, zodat hij niet meer verder kon en dan een heel eind terug moest gaan.

Op een bepaald moment bleef Job stokstijf staan. Hij hoorde een geluid. Hij sloop voorzichtig een eindje verder om te weten te komen waar het geluid vandaan kwam. Toen hoorde hij het weer! Een luid gebrom, en dan even niets..., dan een gefluit, en dan weer niets..., weer een luid gebrom, dan weer niets... Het leek wel... gesnurk! "Misschien ligt hier wel ergens een dikke beer te slapen! Zou ik in het hol van een beer beland zijn?", dacht Job. "Een dikke beer, ik ga maar weer!", rijmde hij toen, want van dikke beren had hij toch wel een beetje schrik. Maar Job was zo nieuwsgierig... hij was een echte kurieuzeneuzemosterdpot. "Als ik nu héél, héél stil ben, als ik op de tippen van mijn tenen loop, dan zal die beer wel niet wakker worden." En Job ging verder, want hij had nog nooit een beer gezien die lag te slapen.

De gang werd smaller en het geluid kwam alsmaar dichter. Heel stilletjes sloop Job verder. Hij hoorde dat hij vlak bij de plaats was waar het gesnurk vandaan kwam. Nog een klein eindje. Door het laatste stukje gang moest Job zich wringen. Zo smal was het geworden. En toen stond Job ineens in een reuzengrote kamer, waar een reuzengrote lamp brandde. Daardoor zag hij een reuzengrote tafel met een reuzengrote stoel erbij. Tegen de muur stond een reuzengrote kast en in de hoek van de kamer, in een reuzengroot bed, lag een echte, reusachtig grote reus te snurken.

Job schrok zich een hoedje. Hij wilde er zo vlug mogelijk wegkomen. Maar in zijn haast zag hij de stapel wortelen die bij de gang lagen niet. Job stuikelde. Dat maakte zo'n lawaai dat de snurkende reus er wakker van schrok. De reus sprong uit z'n bed en pakte Job bij zijn jasje. Hij tilde hem hoog op, zodat hij hem recht in de ogen kon kijken en vroeg:
"Wie ben jij en wat kom jij hier doen?" En van schrik zei Job: " Ik ben job, meneer de reus, en ik knijp in je neus!"
Meteen dacht Job: "Oei, wat heb ik nu gezegd! Nu wordt hij zeker verschrikkelijk boos!" 

Maar de reus werd niet boos. Nee, de reus begon vreselijk hard te lachen. "HAHAHAHA! HAHAHAHA! HOEHOEHOE! HAHAHAHA! OH! 
Wat is het lang geleden dat ik nog zo gelachen heb!", bulderde de reus. Hij lachte zelfs zo hard dat de tranen hem in de ogen sprongen. Eén reuzentraan spatte daardoor tegen job's broek, zodat die er helemaal nat van werd. "Oei, ik heb je broek nat gemaakt. Sorry, hoor! Geef ze maar vlug hier, dan hang ik ze bij het vuur te drogen.", zei de reus.

Dat deed Job, en even later zaten ze gezellig aan tafel. De reus zat op zijn stoel en Job zat op de tafel, op het zoutvaatje. En omdat hij geen kou zou vatten terwijl zijn broek hing te drogen mocht hij een handschoen van de reus aantrekken. Zijn benen pasten precies in de vingers van de handschoen. 't Was wel een beetje een gek gezicht, maar toch lekker warm.

"Zeg Job," zei de reus toen, "wat zei je ook al weer toen ik vroeg wie je was?" "Ik ben Job, meneer de reus, en ik knijp in je neus!", zei Job weer. En weer moest de reus heel hard lachen. En toen bedachten ze samen nog een heleboel andere rijmpjes. De reus hield net zo van rijmen als Job. Toen stond de reus op en haalde een pijp uit zijn kast. Dat deed hij alleen als hij zich heel gelukkig voelde. Weet je dat het al wel een jaar geleden was dat de reus zijn pijp gerookt had?
Job's broek was droog en ze namen afscheid. Job beloofde de reus dat hij alle dagen een paar keer zou langskomen. En dat deed hij ook. Wanneer hij binnen kwam, zei hij dan: "Ik ben Job, meneer de reus, en ik knijp in je neus!"
En dan stopte de reus zijn pijp en gingen ze samen rijmpjes bedenken. De reus zat dan aan tafel en Job op het zoutvaatje. Dus, als je ooit in Jobland komt, en je ziet uit een holletje in de grote berg rook opstijgen, dan weet je dat Job weer op bezoek is bij de reus, en dat ze aan tafel rijmpjes zitten te verzinnen!

Jobke en de zilveren fluit

‘Ik ben Job, meneer de reus, en ik knijp in je neus!’ klinkt het vanuit de gang naar het hol van de reus. Dat roept Job altijd, wanneer hij bij de reus op bezoek komt. Normaal, wanneer de reus dit hoort, gaat hij naar de kast, neemt het zoutvaatje eruit, en zet het klaar op de tafel, zodat Job er direct op kan gaan zitten.

Maar wanneer Job deze keer het hol binnen komt, is er geen reus te zien. Zou de reus niet thuis zijn? Dat is nog nooit gebeurd! De reus is er altijd, als Job op bezoek komt. Misschien ligt de reus nog te slapen. Job kijkt in het bed, maar… geen reus te zien. Waar zou hij toch kunnen zitten? Job trekt het tafelkleed eens omhoog , maar… de reus zit er niet onder. Job kijkt eens bij de zetel. Daar ziet hij een pantoffel, een voet,… Job stapt voorzichtig dichterbij… en ja, hoor! Daar ligt onder de zetel, plat op zijn buik op de grond… de reus!

‘Wat ben jij aan het doen?’ vraagt Job. ‘Oh, dag Job. Ik had je niet horen komen.’zegt de reus. ‘Waarom lig je daar op de grond? Ga je leren zwemmen?’ vraagt Job nog een keer.

‘Maar neen, Jobke toch! Wil je weten wat er gebeurd is? Ik moest daarnet niezen, en daardoor is mijn knoop van mijn broek gesprongen. En nu is die knoop hier in dat kleine gaatje in de vloer gerold. Nu probeer ik die te pakken, maar mijn arm is te dik en te kort. Ik kan er niet bij. Ach, ik wil hem echt wel terug, want zo zonder knoop zakt mijn broek af.’ Job proest het uit van het lachen.

‘Reuzenreus, is je buik te dik? Kom hier dat ik er een gaatje in prik!’ Maar dan kijkt de reus opeens zo triest, dat Job besluit om hem vlug te helpen.

‘Ik zal je knoop wel gaan zoeken’ zegt Job. Hij is natuurlijk veel kleiner dan de reus, en kan wel door het smalle gaatje. In een wip heeft hij de knoop gevonden. Maar als hij nog eens rond kijkt ziet hij in de verte iets blinken. Wat zou dat kunnen zijn? ’Reus daar ligt nog iets!’ roept hij. ‘Wat ligt er dan?’ vraagt de reus. ‘Ik kan niet zien wat het is, maar het is iets dat blinkt.’ zegt Job.

‘Wacht, ik haal even een kaarsje.’ De reus haalt zijn kaars, en geeft ze aan Job. Voorzichtig stapt Job verder met het kaarsje in de gang, tot bij het blinkende ding. ‘Het is een stokje!’ roept hij.‘Een zilveren stokje, en er zitten gaatjes in. Het lijkt wel een fluit!’

‘Echt waar? Heb je mijn fluit gevonden?’ De reus weet niet wat hij hoort. Hij is zo blij! Zijn zilveren fluit, die hij al jaren kwijt was, waar hij al uren en uren naar gezocht heeft,is terug. En hij dacht nog wel dat hij een pech dag had, omdat zijn knoop van zijn broek gesprongen was! Job steekt de knoop en de fluit door het gaatje in de vloer. Zo kan de reus ze allebei pakken.

Wanneer Job terug in de kamer komt, steek de reus hem hoog in de lucht van blijdschap, en maakt een rondedansje met hem. Maar hij vergeet wel dat zijn knoop nog niet terug aan zijn broek genaaid is. Door het dansen zakt zijn broek natuurlijk naar beneden. De reus struikelt en valt om. Met zijn tweeën rollen ze op de grond. Gelukkig is zijn fluit niet gebroken.

‘Lief, lief reusje, speel eens luid een mooi liedje op fluit.’ vraagt Job. ‘Dat wil ik wel voor je doen,’ zegt de reus, ‘maar ik wil je nog eerst iets vertellen over mijn zilveren fluit.’ En dan vertelt de reus dat deze fluit eigenlijk niet zomaar een gewone zilveren fluit is. Neen, het is een wensfluit. Heel lang geleden heeft de reus de fluit van zijn opa gekregen. En die opa had een goede vriend die tovenaar was. Nu hielp de opa van onze reus de tovenaar wel eens, met het hakken van hout, voor zijn kachel. Of met het dragen van de zware ketel met toverdrank. ;Om de opa van de reus te bedanken, heeft
de tovenaar hem deze zilveren fluit cadeau gedaan.

Met een heel ingewikkelde toverspreuk heeft de tovenaar er een wensfluit van gemaakt. ‘De reus is heel blij want hij heeft nu zijn fluit. Hij blaast en hij blaast en ‘t verhaaltje is uit!’

Jobke op het pretfeest 

Job zit tegen de muur van zijn huisje rijmpjes te bedenken. Maar vandaag vindt hij het helemaal niet zo leuk als anders. Dat komt omdat Job zich een beetje alleen voelt. Want, weet je, de reus is gaan logeren! En hij blijft wel drie weken weg!

Vanmorgen heeft Job de reus weg gebracht met zijn autootje. Dat was niet gemakkelijk, hoor! De reus had 3 grote koffers bij. En die konden natuurlijk niet allemaal in Jobs autootje. Ze hebben een hele tijd geprobeerd, maar het lukte niet.En de reus vond echt dat hij 3 koffers nodig had.

Gelukkig had Job ook een aanhangwagen waar de koffers in pasten. Toen konden ze vertrekken. Dat dachten ze toch, tenminste. Want toen de reus in de auto wilde stappen, lukte dat ook al niet. Ofwel geraakte zijn hoofd er niet bij, of er was geen plaats voor zijn armen. En toen hij dan maar probeerde op handen en knieën op de achterbank te kruipen, gingen zijn voeten er niet meer bij.

Er was maar één oplossing: de reus moest ook in de aanhangwagen! En dat vond hij verschrikkelijk! ’t Heeft wel een half uur geduurd, voor hij goed zat, tussen zijn 3 koffers.

En toen Job dan eindelijk kon vertrekken, dacht de reus er opeens aan, dat zijn knuffelkonijn nog boven in zijn bed lag! En dat kon hij echt niet zo lang missen. Dus moest hij terug uitstappen om het snel te gaan halen. 

Dat was vanmorgen. En nu zit Job daar alleen tegen de muur. Hij heeft nog maar 3 rijmpjes bedacht, en hij heeft er al geen zin meer in. Eigenlijk zit Job zich maar wat te vervelen. Maar dan hoort hij opeens iets… Héél zachtjes klinkt het: “Drup… drup… drup…”. 

Het geluid komt van bij het tuinhuisje. Uit de regenpijp vallen grote druppels water in de regenton. En dat is raar, want het regent helemaal niet! Job kijkt in de ton. De ton is bijna vol.

Hé, dat is gek! Job ziet zichzelf.Het lijkt wel of er een spiegel in de ton zit.Hij trekt een gekke snoet. Dan kijkt hij heel boos. En dan doet hij de reus na, zoals die kijkt wanneer hij heel diep aan het nadenken is. Job ziet in de ton ook de wolken in de lucht voorbijdrijven. Kijk! Die wolk is net een trein. En daar is een wolk die op een olifant lijkt. Daar zit precies een hond te blaffen. Er drijft een bloem door de lucht. En hij ziet een meisje met een heleboel krullend haar. Het meisje wil de bloem plukken. Maar ze plukt ze toch niet. Want ze ziet opeens dat Job naar haar kijkt. 

“Hé ! Help je mee?”, vraagt ze. “Ik ben Jitske. Ik pluk bloemen voor het feest.”Job twijfelt even, maar als Jitske nog eens roept : “Kom!”, begint Job mee bloemen te plukken. Al gauw hebben ze een groot boeket. 

“Dit is wel genoeg zo”, zegt Jitske. “Waarvoor dienen al die bloemen eigenlijk?” vraagt Job. “Vandaag vieren we het grote Maak-Maar-Pret-feest bij de rivier. En dan draagt iedereen een krans van bloemen. Weet je dat dan niet?” “Neen. Ik heb daar nog nooit van gehoord.”, zegt Job. 

“Heb je zin om ook te komen? Dan kom ik je straks halen!” zegt Jitske. En daar heeft Job wel zin in.

O, wat duurt het wachten lang! Maar dan hoort Job Jitske aankomen. Ze zit boven op een zwarte pony, en heeft een bloemenkrans om haar hals. 

“Hier is er voor jou ook een,” zegt Jitske, “spring maar achterop.” Eerst durft Job niet goed, maar dan steekt Jitske haar hand uit, en helpt hem achter zich op de pony. Ze wandelen het tuinpad af, en volgen dan het paadje naar het hol van de reus. Maar wanneer ze er bijna zijn, zegt Jitske opeens: “Hoofd intrekken!”. Hé, de pony stapt onder een lage struik door, en zo komen ze op een paadje dat Job nog nooit gezien heeft. Dan laat Jitske de pony een beetje sneller lopen en ziet Job in de verte de rivier.

Wanneer ze bij de rivier komen,kijkt Job zijn ogen uit Er staan lange tafels met allemaal lekkere hapjes en drankjes: honingkoeken, aardbeientaart, suikerspinnen, frambozenlimonade, en bessensap.

De tafels en de bomen zijn versierd met grote witte bloemen. Overal hangen lampjes. Op een podium zit een groot dierenorkest klaar. Het lijkt wel alsof ze op Job en Jitskehebben gewacht, want zodra ze van de pony springen, stapt een eend met een mooi rood lint om zijn buik het podium op, en zegtplechtig: “Dames en Heren, wat fijn dat jullie er weer allemaal zijn! Iedereen is binnen, dus het feest kan beginnen. Ga maar lekkersmullen en jullie buikje vullen. Of grijpjullie kansen en ga met je buurvrouw dansen. Geniet maar om het meest van het grote Maak-Maar-Pret-feest !”
Dan maakt hij een diepe buiging, en begint het orkest te spelen.

Job en Jitske dansen de hele avond. Af en toe stoppen ze eventjes om lekker tegaan smullen aan defeesttafel , of voor eenglaasje bessensap. Maar dan dansen ze weer verder. Wanneer het orkest stopt, is het al voorbij middernacht. Job en Jitske zijn zo moe, dat ze bijna in slaap vallen . Jitske brengt hem met de pony terug naar huis, en komt nog eventjes naast hem zitten, tegen de muur van zijn huisje.

Wanneer Job wakker wordt, is Jitske weg. “Waar is ze nu?”, denkt Job. Hij roept, maar krijgt geen antwoord. De bloemenkrans om zijn hals is ook verdwenen. Job staat recht om in de regenton te kijken, maar die ishelemaal leeg. Er zit geen druppel water in.

“Hoe kan dat nu?”, denkt Job. “Heb ik alles dan gedroomd, misschien?” Maar wanneer hij door Jobland wandelt, ziet hij overal paardenvoetjes op de vloer.

Hoe komt dat dan? 








(Deze verhalen en/of de bijhorende tekeningen mogen niet gebruikt of gecopiëerd worden zonder toestemming van JOBLAND bv)